|
Over de herkomst van de geslachtsnaam Kwakkel tast ik nog in het duister. Hoewel het mij ontbreekt aan sluitend bewijs
meen ik wel een verklaring voor de naam gevonden te hebben die zeer plausibel lijkt. Hierna zal ik trachten uit te leggen
hoe onze familienaam is ontstaan. Volgens de 'Dikke Van Dale' is het woord kwakkel en verbastering van het woord kwartel, hetgeen een vogelsoort is. Nu stuitte ik tijdens mijn onderzoek op een geslacht Quackelvanger dat in de 17e eeuw leefde op het eiland Tholen waarvan de naam van liever lede veranderde in Kwakkel. Er is tot op heden geen verband aangetroffen tussen deze tak en onze tak. Wellicht hebben zij een gemeenschappelijk beroep uitgeoefend dat welliswaar vrij uniek moet zijn geweest omdat ik het nergens anders ben tegengekomen. Het geslacht Kwakkel, dat zijn oorsprong vindt in het Nood-westelijke deel van Gelderland, werd nooit aangeduid met de benaming Quackelvanger, doch als Quackelaer (of een variant hierop), wat mogelijk dezelfde strekking zal hebben gehad. Tegenwoordig zijn kwartels en hun eitjes culinaire delicatessen; blijkbaar was dat in vroeger tijden ook al het geval! ![]() Kwartel (Latijns: Coturnix Coturnix Th) "In de maand mei leggen alle vogels een ei, behalve de kwakkel en de spriet, die leggen nog niet". Onze oudst bekende voorvader, Jan Albertsen (Quackeler), is vermoedelijk geboren in of nabij de plaats Doornspijk. Volgens het Protocol van Bezwaar, ORA Doornspijk 1733-1754, kerspel Oosterwolde, wordt in fische 111 vermeld: Verschenen Jan Willemsen en Geertien Jacobs echtel. verklaren verkocht te hebben aan Cornelis Woltersen en Hendrikje Klaas echtel. een mudde zaailand gen. de hooge Boomgaard op "de Quackelenberg", waaraan oostw verkopers met de hof, zuidw verkopers met hun wegje, westw Gijsbert Gerritsen en noordw Gerrit Coertsen gelandet is, alles voor f 425,- Get. 28 dec 1740. Mogelijk is er een verband tussen deze Quackelenberg en Jan Albertsen. Via Nunspeet, waar zijn beide echtgenotes vandaan kwamen, is hij uiteindelijk rond 1700 in Oosterwolde beland en het is frappant dat hij en zijn nakomelingen alleen in dit dorp met de (bij)naam Kwakkel worden aangeduid. Gedurende de tweede helft van de 18e eeuw vertrokken er nazaten naar omliggende plaatsen als Oldebroek, Kamperveen, Kampen, Doornspijk etc. alwaar zij enkel onder hun patroniem (= vadersnaam) werden vermeld in doop-, trouw- en begraafregisters, kortweg DTB-registers. Hoogst zelden werd de naam Kwakkel aan het patroniem toegevoegd. Hierin kwam pas begin 19e eeuw verandering toen elke Nederlander op last van Koning Lodewijk Napoleon in 1812 verplicht werd een geslachtsnaam aan te nemen. Hoewel de meeste nakomelingen dagloner, arbeider of landbouwer van beroep waren kozen allen er toch voor de naam Kwakkel aan te nemen als geslachtsnaam. We komen de naam Kwakkel voor het eerst in geschreven vorm tegen in het doopboek van de Ned.-Hervormde of St.-Nicolaaskerk te Oosterwolde (Gld.). Het doopboek vangt aan in 1702; eventuele doopboeken van voor die tijd zijn waarschijnlijk door overstromingen, brand of onachtzaamheid verloren gegaan. Op 28 mei van dat jaar laten Albert Jansen Quackeler en Reijntijen Jansen hun zoontje Willem dopen:
Of de naam kwakkel voor 1700 ook al in geschrift voorkwam is helaas niet meer te achterhalen, deels door het ontbreken van officiële documenten, deels vanwege het feit dat achternamen in dit deel van de Veluwe sporadisch voorkwamen. Personen werden in de regel alleen met hun patroniem aangeduid (= vadersnaam; Albert Jansen, Albert Janszoon, Albert de zoon van Jan). In kleine gemeenschappen wist iedereen dan wel wie er werd bedoeld. Slechts in geval er meerdere personen met eenzelfde naam rondliepen, zoals Jan Jansen of Albert Willems of Hendrik Jansen, werd hieraan een alias of bijnaam toegevoegd ter nadere indentificatie. ![]() Kaart van Guelre, gemaakt door Chr. Sgrooten ca. 1559. Reeds in de Bijbel wordt de kwartel als een welkome aanvulling op het karige rantsoen beschouwd. Het boek Exodus in het Oude Testament verhaalt over de moeizame tocht van het volk Israëls dat door Mozes naar het Beloofde Land wordt geleid. Maar de reis is lang en het volk heeft honger en begint te klagen: 11 Ook heeft de HEERE tot Mozes gesproken, zeggende: 12 Ik heb de murmureringen van de kinderen Israëls gehoord; spreek tot hen, zeggende: Tussen de twee avonden zult gij vlees eten, en aan den morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE uw God ben. 13 En het geschiedde aan den avond, dat er kwakkelen opkwamen, en het leger bedekten; en aan den morgen lag de dauw rondom het leger. In oud-Nederlandse gedichten en proza komen we ook af en toe een zinspeling tegen op het woord Kwakkel, en dan veelal met betrekking tot de vangst van deze vogel. In onderstaand fragment uit een gedicht van Jacob Cats wordt melding gemaakt van een 'kwakkelbeentje'; dit is een benen fluitje dat de slag van de kwartel nabootst om de vogels te lokken, waarna de 'quackelvanger' of 'quackelaer' alleen nog maar zijn netten hoeft uit te leggen om de beestjes te vangen. En hoe sijn quackelbeentje slaet, Al tot de vogel is in 't net." en "Wanneer een loose Quackelaer Spreyt hier een net en weder daer, En dan sijn listigh fleuytjen roert." - Jacob Cats - In met name de zuidelijke Nederlanden komt het woord quackelbeen regelmatig voor als geslachtsnaam, ook nu nog. De bekendste drager van deze naam is ongetwijfeld Willem Quackelbeen (* Kortrijk 1527 - † Constantinopel 1561), humanist, botanicus en lijfarts van de ambassadeur van keizer Ferdinand I aan het hof van sultan Süleyman in Turkije. Hij wordt algemeen beschouwd als dedene die de paardekastanje in West-Europa introduceerde. Hoewel de betekenis ons nu duidelijk is, blijft het vooralsnog een raadsel hoe hij aan deze geslachtsnaam is gekomen. Op het internet vond ik een oud-Hollands liedje waarin het kwakkelbeentje gebruikt wordt als beeldspraak om een geliefde te lokken. Een jongeman beschrijft zijn gevoelens van liefde jegens een meisje en maakt gebruik van een kwakkelbeentje om haar te lokken. Wanneer zij op zijn avances ingaat spant hij zijn net om haar te vangen. 1 "Hoe is mijn hart met min belaên hoe is mijn hart met min bevangen mij dunkt ik hoor een kwartel slaan ik wil haar eens gaan vangen ik trok mijn weitas aan mijn hand al in het rond al in het rond ofdat ik niets te jagen vond," 2 "gij zult met al uw zoet gevlei mijn jeugdig hartje doen verleiden neen jonkman keer maar weg van mij ik luister naar geen schone praatjes ja maar als jij een had mijn kwartelbeen dan zoudt ge mij dan zoudt ge mij dan zoudt ge mij wel laten alleen," 3 toen heeft de jongeman heel plezant hij was door de liefde ingenomen heeft hij de liefde in haar hart geplant versierd met schone bloemen 't was maar om te winnen haar rechterhand en in de nacht ja in de nacht heeft hij den boom bij haar gebracht," 4 "toch vond men op deez' meiboom staan een bloem van groene zijde des morgens scheen zij uit een traan dat zij de liefde niet kon lijden zij sprak: dat gaat hier in 't algemeen ach minnaar zoet ach liefste zoet schenk mij uw trouw uit liefde zoet," 5 "komt gij tot mij met uw gevlei spelen op viool en snaren 't was maar alleen voor bruidegom en bruid dat zij nog vele vele jaren leven mogen in vreugde met elkaar dat wensen wij dat wensen wij dat wensen wij het jeugdig paar." (opgenomen bij Mevr. Marie van Geffen-Aarts, Veldhoven 1983) Tegenwoordig heeft het woord kwakkel in ons alledaagse taalgebruik een ietwat negatieve betekenis. Zeer bekend zijn uitspraken als "een kwakkel winter" (d.i. een periode waarin het afwisselend vriest en dooit) of "hij is aan het kwakkelen" (d.i. sukkelen met de gezondheid). Ook nu heb ik geen idee waarom het woord kwakkel wordt geassocieerd met zaken die ons niet gunstig gezind zijn. In het Vlaams staat het woord kwakkel synoniem voor: fabeltje, sprookje en zelfs leugen. De laatste grote volkstelling dateert uit 1947 en onderstaand kaartje geeft een mooi overzicht van de geografische spreiding van de geslachtsnaam Kwakkel. ![]() Spreiding geslachtsnaam Kwakkel, 1947 |